Aan de buitenkant ziet men een rustige aan elkaar gekoppelde reeks van meestal langzame en gracieus uitziende bewegingen. Dat is wat men bij taiji de vorm noemt. Een vorm bestaat uit een aantal houdingen die onderling met elkaar in verband staan, zodat er een doorgaande reeks bewegingen ontstaat.
Men kan dit vergelijken met een landkaart
De wegen staan voor de onderling verbonden bewegingen en de plaatsen waar men doorheen komt zijn de houdingen of standen.
De standen dragen de naam van de daarmee corresponderende techniek zoals stoten en afweren of schilderachtige namen als “Gouden haan staat op een been”, ”wolkenhanden”, “speel de luit” of de “witte kraanvogel spreidt zijn vleugels” enzovoort. Deze namen bevatten geen verborgen betekenis maar hebben meer een praktische waarde als onderscheid tussen de houdingen.
De betekenis van het woord Yi (geest) die in de klassieken voorkomt, wordt in de Wu-stijl samengevat door de vijf volgende principes. Jing (stil), Qing (lichtheid), Man (langzaam),
Qie (plichtsgetrouw) en Heng (uithoudingsvermogen), deze principes zijn nauw met elkaar verbonden, complementeren elkaar en kunnen niet zonder elkaar.
1. De geest moet ontspannen en de ademhaling moet kalm en gelijkmatig zijn.
2. De bewegingen van de vorm moeten langzaam, natuurlijk en ook heel precies uitgevoerd worden.
3. De bewegingen moeten doorleefd (wakker) en vloeiend zijn. Ze moeten elkaar opvolgen zonder onderbreking, of je nu voor of achterwaarts beweegt of draait.
4. Enkel met een correcte houding van het lichaam kunnen de bewegingen en de ademhaling in harmonie komen. Gedurende elke beweging moet het staartbeen, de wervelkolom, de nek en het hoofd in een lijn zijn, deze lijn mag zowel zij voor of achterwaarts geen enkele kromming vertonen.
5. De ogen zijn naar voren gericht op zo'n 15 m afstand of naar de handen gericht. Alleen als de ogen gericht zijn kan het evenwicht gecentreerd blijven.